Home » Fokkerservaring met de Rode Nieuwzeelander

40 jaar Fokkerservaring Rode Nieuw Zeelander.

 

Eind 1976 heb ik de eerste RNZ gekocht en nu 40 jaar later is het voor mij nog steeds een uitdaging om prachtige dieren te fokken met een fraaie rode kleur die bij geen enkel ander ras voor komt.

 

Door: Gerrit Lenselink, Vorden.

 

Fok en opfok.

 

De RNZ is een levendig ras, het stelt geen speciale eisen aan voeding of verzorging. Het fokken en opfokken van jonge dieren is dan ook niet moeilijk. Het aantal jongen per nest kan sterk verschillen, kleine nesten komen voor, maar ook nesten van 8 of meer is geen uitzondering. Bij grote nesten haal ik na 3 à 4 dagen de kleinste jongen weg en laat er maximaal 6 bij liggen.

Over het algemeen bezit de RNZ prima moedereigenschappen. De opfok verloopt bijna altijd probleemloos. Op een leeftijd van 2½ à 3 weken beginnen de jongen met de moeder mee te vreten aan hooi en brokjes. Meestal speen ik de jongen op een leeftijd van 7 weken.

Na het spenen kunnen ze onbeperkt voer op nemen tot een leeftijd van 3 maanden. Nu worden ze individueel gehuisvest en beperkt gevoerd. De RNZ is een snel groeiend dier, op een leeftijd van 3 maanden is het gewicht zo rond de 2 kg. Op een leeftijd van 5 maanden zitten de meeste dieren boven het minimum gewicht van 3 kg. Het ideale gewicht is volgens de standaard 3,5 tot 4,0 kg. Voor mij is het ideale gewicht 3,7 tot 3,9 kg.

 

Selectie.

 

Een juiste selectie toe passen bij jonge opgroeiende dieren is niet altijd even eenvoudig en vergt enige fokkerservaring. Zelf hanteer ik 3 fasen, t.w. 5 weken en 12 weken leeftijd en als de dieren (bijna) volwassen zijn. Op een leeftijd van 5 weken moeten de jongen kort en bolvormig zijn met een brede bolvormige kop. Op kleur is nog moeilijk te selecteren, behalve onderzijde staart, deze moet reeds gekleurd zijn. De tweede selectie op een leeftijd van ongeveer 3 maanden leeftijd heeft in de eerste plaats opnieuw betrekking op type en bouw en kopvorm, maar ook de oren en oorlengte en de kleur komen nu aan bod. Dieren met een te lichte dekkleur of onderkleur en zwakke buikkleur zullen geen showdieren worden. Oren stevig van weefsel en een lengte van ongeveer 10 cm. Bij de derde selectie worden dieren uit geselecteerd die het toch net niet halen. Dit nu betreft alle onderdelen van het dier. De beharing speelt nu ook een belangrijke rol, maar ook dieren die nu reeds ticking vertonen zullen geen toppers worden.

 

Hoe moet een showdier er uit zien en welke goede en minder goede eigenschappen komen we tegen?

 

Type en bouw.

 

Het type is iets gestrekt. Het moet ook duidelijk bij iets blijven. Is het type wat lang, dan wordt de voorhand smal, de benen wat dun, de kop is minder ontwikkeld met meestal een iets lang neusbeen. Ook de oren worden vaak langer dan de ideale maat en dun van structuur.

De voedsters zijn over het algemeen iets langer dan de rammen.

De bouw moet volgens de standaard goed gevuld zijn in voor- en achterhand. Voor mijzelf zeg ik zeer goed gevuld in voorhand, zeker bij de rammen. De achterhand moet breed zijn met een fraaie afronding. De staart moet goed ontwikkeld zijn en recht gedragen.

De benen moeten kort en stevig zijn. Hierin is nog wel het een en ander te verbeteren. We zien nog veel dieren met wat dunne en iets lange benen.

Een kleine wam is toegestaan bij oude voedsters. Helaas zien we nogal eens jonge voedsters die wat ruim in borst zijn. Door selectie is hier veel te verbeteren.

 

Gewicht.

 

Het is geen probleem om het ideale gewicht te bereiken. Oude fokdieren mogen voor mij rond de 4 kg wegen, maar niet veel zwaarder. Want zware grote dieren in een stam geeft weer problemen met de bouw van jonge dieren, die dan te grof worden.

 

Kop.

 

De kop moet krachtig ontwikkeld zijn, brede kaken en snuit en met een gebogen neusbeen. Een forse kop geeft rasadel bij de Rode Nieuw Zeelander. Vooral de rammen moeten een markante kop laten zien. Gebruik dus nooit een fokram die geen mannelijke kop toont.

 

Oren.

 

De ideale oorlengte van 12 cm geeft weinig problemen. De structuur moet stevig zijn, goed behaard en aan de top goed afgerond. Er komen nog veel dieren voor waarvan de oren wat dun van structuur zijn, soms iets gevouwen en puntig. De oren moeten open worden gedragen.

Voor de fok gebruik ik nooit dieren die een oorlengte hebben van boven de 12 cm.

 

Pels.

 

De beharing moet vol zijn, met vrij veel onderwol. De pels heeft een normale lengte, is zacht en moet glans vertonen. De juiste pels en pelsconditie moet aanliggend zijn en bij het terugstrijken langzaam terug vallen.

Een enkele keer kom je een wat langere pels tegen. Lange pelzen hebben vaak minder onderwol, liggen niet mooi aan en tonen vaak weinig glans. Ook stugge pelzen is niet juist. Bij een minder goede pels of pelsconditie zal de warm rode dekkleur niet tot uiting komen.

 

Kleur.

 

Ooit is er geschreven: “De Rode Nieuw Zeelander is èèn der meest kleurrijke, zo niet het meest kleurrijke konijn uit de lange rij rassen”.

Een zin waar ik volledig achter sta. De warm rode dekkleur zoals die behoort te zijn met daarbij veel glans geeft inderdaad een prachtig kleurrijk geheel.

 

Dekkleur.

 

De kleur moet egaal zijn van neuspunt tot staarteinde. In werkelijkheid komen er grote verschillen voor. Toch durf ik te stellen dat de dekkleur over het algemeen zeer goed is. Uitzondering zijn de lichtere en iets donkere dekkleur. Iets fletse dieren kunnen toch waardevol zijn voor de fokkerij in een stam die juist wat ticking vertoont. Zelf gebruik ik nooit een dier voor de fok die al op jonge leeftijd veel ticking laat zien.

Het woord ticking of ook wel schaduw genoemd is de angst voor iedere fokker van RNZ. Ticking komt het eerst voor op de oorranden. Bij jonge dieren mag het op de oorranden niet of althans niet veel voor komen. Bij oude dieren mag, nee moet er bij mijn fokdieren enige schaduw op de oorranden zitten. Bij keuringen mag er dan ook soms best iets van gezegd worden, maar we moeten wel op passen dat we zo’n dier niet de grond in boren. Juist de betere kleur vertoont het eerst iets donkere oorranden. Wanneer er ticking of schaduw op het dek ontstaat wordt het kwalijker. Zeker jonge dieren behoren dit niet te vertonen. Het is gemakkelijk te constateren door de pels met de handen in elkaar te schuiven. Bij de aanwezigheid van ticking ziet men dan een zwart/bruinachtig streepje in de dekkleur. Indien men hier veel mee te maken heeft moet er een paring plaats vinden aan een lichter gekleurd dier.

De oogringen, voetzolen en onderkant staart zijn lichter van kleur. De kleur onderzijde staart geeft nog wel eens discussie. Een witte staart is een zware fout. We komen dieren tegen met een prachtig gekleurde staart. Indien de staart enigszins gekleurd is moet niet te snel vermeldt worden staart iets licht. Erg lichte kaakranden die we jaren terug zagen komen we bijna niet meer tegen. Indien we dit toch tegen komen moeten we dit ook duidelijk vermelden en deze dieren moeten dan ook niet voor de fok gebruikt worden.

De oogkleur die donkerbruin is geeft geen problemen. De nagels moeten donkerhoornkleurig zijn. Er komen dieren voor waarvan de nagels erg licht zijn. Hierop moet duidelijk geselecteerd worden. De snorharen moeten pigment vertonen. Dit geeft weinig problemen.

 

Buikkleur.

 

De buikkleur moet de dekkleur volgen. In mijn ogen ligt hier het moeilijkste onderdeel van de kleur. In de eerste plaats ontbreekt hier de glans die bij de dekkleur een grote rol speelt. Als de dekkleur vanuit de zijden geleidelijk over loopt in de buikkleur en er nauwelijks begrenzing is waar te nemen zijn we al een eind op weg. Nog moeilijker wordt het om de buikkleur egaal te krijgen. In de schootstreek is de kleur altijd wat lichter, maar ook bij de oksels en achter de voorbenen zien we nog al eens lichtere haren of haarpunten. De borstkleur moet warm rood zijn.

 

Tussen en grondkleur.

 

De tussenkleur moet de dekkleur zo veel mogelijk volgen tot aan de wortel. De grondkleur is altijd wat lichter. Er zijn Rode Nieuw Zeelanders die een minder goede tussenkleur en grondkleur laten zien. Zeer kwalijk wordt het als de dekkleur t.o.v. de tussenkleur scherp begrenst is. Bij inblazen ziet men dan een lichte rozet. Deze dieren moeten we uit sluiten voor de fok. De grondkleur aan de buik verdient zeker onze aandacht in de fokkerij, deze is soms erg licht. Ook de buikkleur moet zover mogelijk doorlopen tot aan de wortel. De grondkleur aan de borst is een belangrijke graadmeter voor de kleur van het gehele dier. Loopt de borstkleur door tot aan de wortel dan is dit zeer waardevol. We kunnen dan bijna altijd spreken van een prima kleur over het gehele lichaam. In de standaard wordt bij fouten genoemd blauwe grondkleur en witte strepen op de voorbenen. Bij mijn weten komt dit niet meer voor. Blauwe grondkleur bovenzijde staart komt nauwelijks voor, behalve aan het staarteinde waar soms een iets grauwe kleur te zien is. De sterkst gekleurde dieren hebben dit euvel het eerst. Jonge dieren van 6 weken oud moeten een blauw/grauwe grondkleur bovenzijde staart laten zien. Is dit niet het geval dan zullen deze dieren te licht van kleur blijven. Na de tweede of derde is deze grauwe kleur verdwenen.

 

Na 40 jaar ben ik dan ook nog steeds niet uitgekeken op de fok van de Rode Nieuw Zeelanders met zijn fascinerende kleur. Altijd zijn er wel weer onderdelen waar verbetering mogelijk is. Samen met andere fokkers in den lande en binnen de speciaalclub Farodè zullen we steeds moeten werken aan het behouden van goede onderdelen en het verbeteren van zwakke punten.

 

Het blijft een uitdaging want bij de fokkerij geldt zeker “Stilstaan is achteruit hollen”.